In 2014 liep ik van Wateringen in Nederland (in het Westland) naar Fisterra in Spanje (ten westen van Santiago de Compostela).
Daarna besloot ik om niet terug te keren naar Nederland, maar verder te zwerven. Onderweg werk ik om in mijn onderhoud te voorzien.
Ik bevind me momenteel in Frankrijk.

Frimousse, Stukjes camino

Bruggetjes

Éauze Sauboires Manciet Cravencères

Vandaag is een dag van kleine houten bruggetjes. En dus van kilometers omlopen. En als de bruggetjes eng zijn, dan zal alles wel eng zijn: de rugzak, de telefoonkabels die bewegen in de wind, een plastic tas langs de kant van de weg. Kortom: aan het einde van de dag ben ik zover dat ik de ezel het liefst op de barbecue zou smijten.

Maar ik heb geen barbecue bij me, en dus komen we uiteindelijk toch samen aan in Cravencères. De gîte is normaal in februari nog niet open, maar Martine heeft van het weekend voor me gebeld, en ik kan terecht. Frimousse krijgt een veld voor zichzelf waar hij, in de velden om hem heen, omringt is door paarden. Ik mag in de slaapzaal, waar helaas geen warm water is.
En ik ontmoet Véronique alvast, voor wie ik de komende tijd zal werken, en die hier eens in de week heen komt voor een avondje yoga.

Frimousse, Stukjes camino

Frimousse laat van zich horen

Montréal-du-Gers Lamothe Éauze

Anita vindt dat ik teveel afgevallen ben — en waarschijnlijk heeft ze daar wel gelijk in —, en daarom mocht ik gisteren niet van tafel voordat ik de pannen helemaal had uitgeschraapt, en ook vanmorgen bij het ontbijt heb ik niet te klagen.
Ze heeft me een extra rustdag aangeboden, maar ik heb net een rustdag gehad, en heb bovendien Véronique al laten weten dat ik woensdag aankom, dus ik vertrek.

Het weer is beter dan verwacht: de voorspelde regen blijft uit. Het is wel koud, maar daar merk je niet veel van als je stevig doorstapt. En dat laatste lukt aardig, want ook het ezeltje heeft er zin in. Om half 1 zijn we al in Lamothe, ruim over de helft, en dus nemen we een lekker lange pauze op een grasveld, zodat ook Frimousse op z’n gemak kan lunchen. En zodat ik op m’n gemak kan afkoelen, want nu ik stil zit, voel ik ineens goed hoe koud het eigenlijk is; tegen de tijd dat we opbreken, heb ik het gevoel dat mijn tenen los in mijn natte schoenen liggen. Maar gelukkig blijkt dat niet het geval, en na een kilometer of twee ben ik weer helemaal op temperatuur.

Meer nog dan vanmorgen stapt Frimousse in mijn tempo mee; soms moet ik hem zelfs afremmen. Totdat hij ineens stil blijft staan bij een weiland. In dat veld staat 2 paarden, en Frimousse is vastbesloten een praatje met ze te maken. Maar de paarden zien ons niet, en na een paar minuten zeg ik tegen Frimousse dat we verder gaan. Hij zet een paar stappen, maar draait zich dan weer naar het veld, en blijft weer staan. Maar de paarden zien hem nog steeds niet. Als de paarden hem bij de vierde keer stilstaan nog niet opgemerkt hebben, besluit hij ze te roepen. Frimousse heeft echter nogal een stem, en die zet hij helemaal open. Waarop de paarden zich helemaal wezenloos schrikken, en er allebei als een speer vandoor gaan, Frimousse met een verbijsterd gezicht achterlatend.
Maar ergens heeft het zijn zelfvertrouwen blijkbaar wel goed gedaan, want als we even later bij een grote plas regenwater komen, gaat hij er met een enorme sprong overheen, in plaats van er op zijn tenen omheen te sluipen zoals hij normaal doet, en over de 2 houten bruggen die we daarna over moeten, volgt hij me zonder aarzelen.

Dat de donativo-gîte in Éauze dicht is, wist ik al: Martine heeft van de week voor me gebeld. De eigenaren zijn op vakantie, maar hebben aangegeven dat ik kan slapen in de kapel in de tuin. Die kapel blijkt een blokhut te zijn zoals sommige mensen als schuur gebruiken, maar dan helemaal ingericht met kruisjes, prentjes en bijbels; deze mensen zijn erg katholiek.
Maar het is er droog, er is licht, en er staat zelfs een radiatorkacheltje. Als ik dan ook nog eens (per ongeluk, natuurlijk) merk dat het wifi-signaal tot in de kapel reikt, en het wachtwoord niet moeilijk te raden is, is mijn avond compleet.

Frimousse, Stukjes camino

Een beetje thuiskomen

Larressingle Montréal-du-Gers

Vandaag maar een klein stukje, dus geen haast met vertrekken. Eerst nog even mijn kamer weer een beetje aan kant gemaakt, daarna de ezelpoep verzameld voor de composthoop, en tot slot nog een bakkie koffie.
Als ik een keer zonder werk zit, moet ik maar bellen: als het dan pelgrimsseizoen is, mag ik komen helpen. (Ben trouwens bijna door mijn visitekaartjes heen; daar moet ik iets op verzinnen.)

Ben blij dat ik vandaag niet zo ver hoef, want het is koud en het regent. Omdat ik met dit weer geen zin heb in pauzes, zijn we een uur eerder in Montréal dan gepland. En dan ben ik weer op bekend terrein, want hier heb ik vorig jaar twee keer gewerkt.
Leuk om Anita weer te zien, en lekker om weer eens op een plek te zijn waar ik me ècht thuis mag voelen. Of, zoals Anita zegt ‘Ma maison est ta maison; fais comme chez toi.‘ (Anita is Duitse en ik ben Nederlander, dus uiteraard spreken we Frans met elkaar…). De soep is warm, en de douche ook, en het is jammer dat ik morgen alweer verder moet.

Frimousse, Stukjes camino

Rust

Larressingle

Dagje lekker niks. Beetje rustig met de ezel over een veld gedrenteld, om hem weer eens goed te laten eten. En de grijpvoorraad hout voor de kachel aangevuld, omdat het wel aardig is om iets terug te doen. En verder een beetje gelummeld en gelezen.

Morgen 10 kilometer.

Frimousse, Stukjes camino

Lang gewacht, toch gekomen

Castelnau-sur-l’Auvignon Condom Larressingle

De 5 euro die ik na het ontbijt neerleg, wil Jean-Pierre niet aannemen; ik heb immers gewerkt als betaling? Maar als ik zeg dat het niet voor hem is, maar dat hij het moet gebruiken voor de volgende pelgrim die langskomt, en het misschien nog harder nodig heeft dan ik, accepteert hij het toch.

We hoeven vandaag weer niet heel ver, een kilometer of 15; als het goed is, heeft Anita haar vriendin Martine in Larressingle gevraagd of ik een nachtje in haar gîte mag overnachten.
Helaas moeten we onderweg toch nog een paar kilometer om, vanwege een stroom die zelfs mij te ver gaat: ik heb weinig zin om tot mijn knieën in het koude water te staan met een zware rugzak op mijn rug en een onwillige ezel achter me.

Het weer doet vandaag rare dingen: het ene moment moet de poncho aan, en het volgende moment loopt het zweet in straaltjes van mijn rug, omdat de zon zo schijnt; en het ene moment is het windstil, en het volgende moment moet ik mijn hoed vasthouden omdat hij er anders vandoor gaat.

We moeten vandaag weer een stad, maar ik maak me geen zorgen meer: Frimousse heeft inmiddels begrepen dat hem in een stad niets kan gebeuren als hij heel dicht bij me blijft, en heel goed naar me luistert. Bovendien ben ik in Condom al vaker geweest, dus ik ken hier de weg een beetje en weet welke kant we op moeten.

Om half 4 zijn we bij La Halte, onze gîte voor vannacht, maar er is niemand. Ik zet mijn tas alvast in de tuin, en rek en strek wat. Een uur later is er nog steeds niemand. Ik loop een rondje met Frimousse, en laat hem het gras aan allebei de kanten van de straat maaien. Dat brengt ons weer een uur verder, maar er is nog steeds niemand. Ik begin een beetje te twijfelen. Sta ik wel bij de goeie gîte? Heeft Martine het bericht over mijn komst misschien niet ontvangen omdat ze met vakantie is? Het wordt inmiddels behoorlijk laat, en het zal lastig worden om nu nog iets anders te vinden.
Uiteindelijk komt Martine om half zeven thuis. In de winter heeft ze het niet zo druk met de gîte, dus dan werkt ze bij een wijnboer in de buurt. Het bericht over mijn komst heeft ze vanmorgen pas gehad, en toen heeft ze niet begrepen dat ik vandaag al zou komen. Maar ik ben van harte welkom, en krijg een grote kamer met een groot bed, en een eigen douche en toilet. Voor Frimousse mag ik een stuk van de tuin afzetten.

Onder het eten nemen we het vervolg van mijn reis door, en stuiten op een probleem: Anita komt morgenavond laat pas thuis van vakantie, dus ik kan niet overnachten in Montréal. De volgende optie zou dan Lamothe op 20 kilometer zijn, maar dat is te duur, of Éauze op 27 kilometer, en dat is te ver. En dus stelt Martine voor dat ik morgen een rustdag neem. Ik kan zonder probleem voor niets nog een nacht bij haar blijven, dan zaterdag 10 kilometer lopen naar Anita in Montréal, en zondag 17 kilometer naar de donativo in Éauze.
Ik hoef niet lang na te denken, en beloof mezelf voor morgen een heerlijke luie dag.

Frimousse, Stukjes camino

Donativo

Marsolan La-Romieu Castelnau-su-l’Auvergne

Afgelopen nacht 15 euro betaald voor een bed. Vanmorgen nog eens 5 euro extra achtergelaten omdat ik meer hout in de kachel had gepropt dan was toegestaan (wat op zich redelijk tekenend is voor het gebrek aan warmte bij Le Bourdon in Marsolan).

Vandaag hadden we een relatief korte wandeling, een kilometer of 15. In Castelnau-su-l’Auvignon zit een donativo, en daar wilde ik maar eens gebruik van maken. Dankzij al dat hout zijn mijn schoenen vanmorgen goed droog, maar dankzij nat gras en modder duurt dat niet lang. Het weer is echter prima, en ik weet dat ik niet ver hoef, dus ik maak me niet druk.
Halverwege (of op tweederde) kan ik kiezen: via La-Romieu of, 4 kilometer korter, direct naar Castelnau; we gaan lekker, dus ik kies de langere weg. Van La-Romieu zien we uiteindelijk niet veel: de route raakt het dorp net aan, en om voor dat historische centrum nou een omweg te maken, vind ik ook weer overdreven.

De gîte herken ik al van verre; hij is helemaal zoals je van een pelgrimsherberg mag verwachten: middenin het landschap staat een oud huis, met daarvoor een paar tafels met parasols, en er hangen vlaggetjes. Als je dichterbij komt, zie je ook de moestuin, de beschilderde keien en de schelpen. De ontvangst is meer dan hartelijk. De gîte wordt gerund door een man van achterin de 60 (denk ik), en een pelgrim die er regelmatig enige tijd doorbrengt. Deze tweede komt me op de weg al tegemoet, heet me welkom, en heeft al een wortel voor Frimousse paraat voor ik mijn rugzak af heb kunnen doen. Zoals gezegd is deze gîte donativo (‘betaal wat je kunt en wilt betalen’), en pelgrims zonder geld kunnen hier 2 dingen doen: in de zon in de tuin gaan zitten, of mouwen opstropen en helpen. En dus trek ik mijn trui uit, en ben de rest van de middag stenen aan het sjouwen van achter het huis naar de tuin voor het huis. Op deze manier bouwen de mannen een plek voor pelgrims, die uiteindelijk ook grotendeels is neergezet door pelgrims. En op de een of andere manier voel je dat.
Het eten wordt weggespoeld met wijn, en een drankje waarvan ik niet meer weet hoe het heet, maar dat erg lekker smaakt bij, en na, de koffie.
Ik zou zo gauw geen andere gîte op kunnen noemen waarvoor de uitspraak “l’esprit du chemin” meer geldt dan voor deze, en het is een ware verademing na de koude ontvangst van afgelopen nacht.

Tussen Marsolan en Castelnau-sur-l'Auvignon

Frimousse, Stukjes camino

K*t

Castet-Arrouy Lectoure Marsolan

Niet veel te melden vandaag. Heb vanmiddag mijn smartphone (GPS, camera, notitieblok) uit mijn jatten laten vallen. Scherm is aan gruzelementen. Voorlopig doet-ie het nog, maar het is een kwestie van tijd voordat ik alleen nog maar een hand scherven in mijn zak heb.
Ik heb een pesthumeur.

Frimousse, Stukjes camino

Gîte gesloten? Gîte open!

Bardigues Saint-Antoine Flamarens Miradoux Castet-Arrouy

Gisteravond niemand meer gezien, dus geen brood, en zonder eten naar bed. En een oude, vochtige stacaravan is niet te vergelijken met een loods-tent-winterslaapzak. Dus word ik vanmorgen om een uur of 5 wakker van honger en kou. Ik weet het nog een uurtje vol te houden in mijn slaapzak, maar besluit dan op te staan en op te breken. De Mars die ik bewaard heb voor het ontbijt doet mijn lichaam alleen maar schreeuwen om meer.
Om kwart over zeven zijn we al op pad; nog steeds niemand gezien, dus verder ook niets gegeten. Ik hoop dat er in het volgende dorp een épicerie is. Gelukkig is die er. Helaas is die net deze week gesloten voor een weekje vakantie.

Bijna de hele weg gaat vandaag door modder en nat gras, waardoor ik na een uur al loop te soppen in mijn schoenen. Mijn droom van gisteravond (toen was het nog mooi weer) om Lectoure te halen (24 kilometer) verdwijnt als sneeuw voor de zon.

Om half twaalf stuit ik eindelijk op een klein dorpssupermarktje; ik sla direct een dagvoorraad in. Maar als die binnen een half uur op is, ga ik nog een keer naar binnen; ik wil niet het risico lopen vanavond en morgenochtend weer zonder eten te zitten. De eigenaar van de winkel glimlacht alleen maar als ik weer bij de kassa sta; waarschijnlijk zou iedereen dat doen, met de prijzen die hij vraagt.

Om een uur of 2 ben ik er wel klaar mee: ik wil mijn schoenen uittrekken en laten drogen, en bovendien heb ik onderweg ergens een aankondiging gezien voor een donativo-gîte (‘geef wat je wilt geven en kunt missen’) in Castet-Arrouy.
De donativo vind ik niet, maar wel bordjes naar een gîte communal (gemeentelijke gîte) waar pelgrims voor 18 euro per nacht terecht kunnen. Een bak geld, maar ik besluit dat op dit moment een echt bed en een douche best 18 euro waard zijn, en volg de bordjes.

De gîte blijkt gesloten voor de winter, maar de aanwezige mevrouw zegt dat ze even haar man zal bellen (de burgemeester, blijkt later). De burgemeester besluit direct dat ‘we deze man vannacht niet buiten laten slapen‘ — blijkbaar zie ik er inmiddels niet meer uit als de standaard toerist-pelgrim die je kunt doorverwijzen naar een chambre d’hôte. Vanmiddag is de ruimte die ’s zomers gîte is, verhuurd aan de kaartvereniging, maar als die om een uur of zes klaar zijn, zal iemand van gemeentewerken een bed voor me neerzetten, en is de ruimte voor mij.
Ik hoop dat de douche ’s winters warm is, maar ook als dat niet zo is, tref ik het vandaag weer geweldig, met een gratis bed en verwarming, en bovendien voldoende eten in de rugzak.

UPDATE, een paar uur later.

Het bleek niet de kaartclub, maar de maandelijkse bijeenkomst van de ouderen en minder bedeelden van het dorp, om gezamenlijk een spelletje kaart of Scrabble te spelen, maar vooral elkaar te ontmoeten.
Al snel kwam de vraag of ik erbij kwam zitten, en er was koffie en gebak, en nog meer koffie en gebak, enzovoort. Na het gezellig samenzijn was er nog een berg gebak over, en er wordt van mij verwacht dat ik meeneem wat ik niet opeet; men wil morgen geen restjes vinden. Waarmee mijn ontbijt voor de rest van de week geramd zit (als ik dit in 1 ontbijt opeet, krijg ik genoeg suiker binnen om de laatste 120 kilometer in een dag te lopen).
Verder zijn er ook nog een zakje instantsoep, een pakje macaroni, en 2 blikjes sardientjes waarvoor dezelfde regel geldt: het moet op. 1 Blik sardientjes gaat in de rugzak, en van de rest maak ik iets eetbaars; brood en kaas blijven in de rugzak.
De douche was trouwens ook heerlijk.
En nee: die €18 hoef ik niet te betalen; de gîte is immers nog niet open?

O ja, en ik mag niet meer aan de poten van Frimousse komen om zijn hoeven schoon te maken. Waarvoor ik die lul van gisteren nog even hartelijk wil bedanken.

Frimousse, Stukjes camino

‘Ik weet wat ik doe; ik werk met ezels’

Boudou Malause Pommevic Espalais Auvillar Bardigues

Het heeft afgelopen nacht niet gevroren. En ik sliep in een loods, in een tent, in een winterslaapzak, in een zomerslaapzak, in een lakenzak. Nee, ik heb het niet koud gehad.

De dag begint met anderhalf uur modder, helling op, helling af. Daarna zit ik er eigenlijk alweer helemaal doorheen. Maar de plicht roept in de Gers, dus we moeten door.

Als in Pommevic het ezeltje zich keurig loopt te gedragen zoals van een ervaren pelgrim-ezel verwacht mag worden (kalm, onverstoord, en vriendelijk knikkend naar iedereen die ons nakijkt), gaat er een auto in de ankers, waar een kerel uit springt, die gelijk heel druk begint te praten. Voor ik weet wat er gebeurt, heeft hij het touw van Frimousse beet, en vervolgens tilt hij diens voorpoot op om naar zijn hoef te kijken. Ik heb binnen kortste keren een ezel in de stress. En de man blijft maar roepen dat hij met ezels werkt, dat hij weet wat hij doet, en dat hij alleen maar wil helpen, ondanks dat ik in alle talen die ik ken tegen hem blijf zeggen, en dan roepen, dat ik zijn hulp niet nodig heb, dat hij mijn ezel opnaait, en dat hij moet opk*nkeren. Op het moment dat ik ervan overtuigd raak dat ik alleen nog van de man af kom als ik gewoon volledig door het lint ga en mijn stok gebruik, stapt gelukkig zijn vriend uit de auto om hem mee te nemen.
Als de man verdwenen is, kalmeert Frimousse gelukkig ook weer snel.
En het weer is vandaag prachtig, dus we klagen niet, maar sukkelen vrolijk verder.

Het doel vandaag was Bardigues, omdat daarna een kilometerslange leegte op de kaart staat. Helaas blijkt Bardigues voor het grootste deel een nieuwbouwdorp voor mensen die graag ‘buiten’ wonen. Geen loodsen of schuren dus, en ze laten me vast niet in de garage slapen, bij het veel te dure, en nooit gebruikte tuingereedschap.
Maar het weer is goed, dus ik ben niet bang voor wildkamperen.

En dan duikt in de verte een boerderij op, terwijl ik nog geen kampeerplek heb gevonden. Uiteraard klop ik even aan.
En ik mag in de stacaravan achter het huis. Met een plekje voor Frimousse ervoor. ’t Is alleen jammer dat ik er geen rekening mee gehouden heb dat het vandaag zondag is: geen boodschappen, en dus geen eten. Ik heb nog een blikje paté, dus als de boer straks weer thuiskomt (hoop ik), zal ik hem vragen om een stuk brood; ik heb weinig zin om alleen een blikje paté leeg te lepelen. En die ene Mars die ik nog heb, bewaar ik voor morgenochtend.

Frimousse, Stukjes camino

Een klein stukje, met stad

Durfort-Lacapelette Moissac Boudou

Het heeft afgelopen nacht toch gevroren. Ik ben blij dat ik gisteravond nog om een extra deken heb gevraagd; zo heb ik toch nog een paar uurtjes halfslaap gehad. Het duurt ruim 2 uur voor ik de tent afgebroken, en de rugzak ingepakt heb; elke paar minuten moet ik stoppen om mijn vingers op te warmen.

Frimousse begint de dag weer met angst voor mijn rugzak, en met eten zodra ik wil gaan lopen, dus ik houd mijn hart vast voor de rest van de dag. Maar hij draait bij, en de zon schijnt volop, dus al gauw heb ik het prima naar mijn zin. Er is nog wel een houten bruggetje waar hij niet overheen durft, waardoor we een paar kilometer langs een départemental moeten, maar hij lijkt te beseffen dat hij die keuze zelf gemaakt heeft, en raakt niet al te erg in paniek van de auto’s.

De GPS toont geen enkele haalbare omweg rond Moissac, en dus zullen we er doorheen moeten. Omdat het zaterdag is, besluit ik een klein stukje om te lopen door een industriewijk; dat blijkt een goed idee: het is heerlijk rustig. Het gaat zelfs zo goed dat ik Frimousse aan het fietsenrek van een Lidl durf vast te binden, om binnen snel even wat te halen; ik heb nog niet ontbeten.
Dan moeten we de binnenstad in. Daar is de markt net afgelopen, dus het is een komen en gaan van bestelbusjes, vrachtauto’s en veegwagens, maar Frimousse houdt zich prima, zelfs als een meter of 15 voor ons een politieauto zijn sirene aanzet om er met een rotgang vandoor te gaan.
Eenmaal weer buiten de stad lopen we heerlijk over een fietspad door de natuur, met auto’s en treinen op veilige afstand.

Ik besluit vandaag vroeg op zoek te gaan naar een slaapplaats, in de hoop een iets comfortabeler plek te vinden dan afgelopen nacht (ik heb spierpijn van het bibberen). Ik kom uiteindelijk terecht bij een paardenboerderij, waar Frimousse een enorm veld helemaal voor zichzelf heeft, en ik mijn tent mag opzetten in een loods.
Als het bijna etenstijd is, komt mevrouw met een plastic tasje met brood, een blikje sardientjes, ham, compôte, en 2 mandarijntjes. Ik besluit het te bewaren voor morgen, en me vandaag te storten op het weckpotje paté dat ik al een paar dagen meesleep, en het brood dat ik gisteren meekreeg.
Even later komt meneer nog met een hele dikke slaapzak.

Frimousse, Stukjes camino

En nu is het weer de rugzak

Lauzerte Saint-Simplice Durfort-Lacapelette

Afgelopen nacht heeft het niet geregend, dus vandaag zijn er geen stroompjes waar Frimousse bang voor kan zijn. En dus is het vandaag de rugzak. Al 2 weken heeft hij er geen enkel probleem mee, en nu schiet hij ineens iedere keer in de stress als ik het ding ergens neerzet of -leg. Twee keer weet hij zelfs een wegwijzer van de GR-65 uit de grond te trekken en ervandoor te gaan. En als je ergens voor wegrent en je hoort een paal achter je aan stuiteren, die aan je touw vastzit, wordt het alleen nog maar enger… Nou ja, je kunt je er een voorstelling van maken.
Al met al weet hij mijn humeur in de loop van de dag aardig te vezieken.

Aan het eind van de middag klop ik aan bij een gîte, met dezelfde vraag als gisteren: een boer in de buurt waar ik in de schuur zou kunnen slapen? De man stelt voor dat ik mijn tent in zijn tuin opzet. En dat doe ik. Als het goed is, vriest het vannacht niet meer (de afgelopen 4 nachten wel), maar ik kan voelen dat het in ieder geval koud wordt. Dat wordt dus met al mijn kleren aan in mijn slaapzak.
En ik prijs me gelukkig dat ik eergisteravond zoveel macaroni heb gemaakt. En ook dat die extra kilo nu weer uit de rugzak mag.

Frimousse, Stukjes camino

Een eindeloze dag

Montcuq Montlauzun Lauzerte

Voor het ontbijt mag ik pakken wat ik kan vinden, maar ik houd het bij koffie en een stroopwafel; de beginnende griep die me al een paar dagen plaagt, heeft inmiddels mijn darmen bereikt. Als ik een rustdag in wil lassen, is dat voor Detlev geen probleem, maar ik besluit dat de plicht roept, en dat ik dus verder moet. Wel vraag ik hem om een rol toiletpapier voor onderweg; die heb ik gelukkig niet nodig: voor vertrek is alles er al uit.

Lauzerte vind ik vandaag ver genoeg. Dat is 14 kilometer, dus dan kunnen we rustig aan doen. Denk ik. Frimousse besluit echter anders. Het begint ermee dat hij zich voorneemt elk grassprietje dat we tegenkomen, op te eten. Tegen de tijd dat we het dorp uit zijn, zijn we al een uur verder.
En vervolgens besluit hij dat hij vandaag weer geen stromend water oversteekt. Het eerste stroompje dat we tegenkomen, is een centimeter of 15 breed en een centimeter of 5 diep, maar meneer gaat in de ankers en verzet geen poot meer. Ik denk dan nog dat 1 keer een stukje omlopen geen probleem is op zo’n rustige dag, maar in de loop van de dag lopen we zo vele kilometers om, en komen we uiteindelijk toch nog ruimschoots boven de 20 kilometer. Naar een dorpje op 14 kilometer afstand…
En de hele weg blijft hij op elk grassprietje af duiken. Twee keer geef ik hem 3 kwartier de tijd om zich vol te eten, en die benut hij volledig, en aan het eind van de middag besluit ik op een veldje te wachten totdat hij zelf aangeeft dat hij klaar is, maar na bijna 2 uur (non-stop eten) ben ik dat zat.

Het is rond half zes als we uiteindelijk Lauzerte in lopen. Ervan uitgaande dat iemand die een chambre d’hôte heeft, ook wel op de hoogte zal zijn van goedkopere alternatieven in de buurt, bel ik aan bij een chambre d’hôte voor advies; of ze misschien een boer in de buurt kennen, waar ik in de schuur zou kunnen ofzo? Terwijl mevrouw hardop staat te denken, denk ik haar accent te herkennen, en dus vraag ik in mijn eigen beste Engelse accent “You’re British, aren’t you?“. Dat breekt het ijs. Ineens is zij Margaret, haar man John, en ik Rob, en als ik bij hen in de garage wil liggen, mag dat gerust, en dan kan de ezel wel op dat veld, en heb ik misschien trek in soep?

John en Margaret moeten vanavond weg, maar voor ze vertrekken komt John nog even zeggen dat hij 2 biertjes voor me in de garage heeft neergezet. En als ik aangeef dat ik een ontbijt echt teveel van het goede zou vinden, zegt Margaret “How about eggs? I have loads of eggs…“. Eerst wil ik haar nog voor de voeten gooien dat haar falende inkoopbeleid mij niet aangerekend kan worden, maar ach, zij helpt mij ook, en dus besluit ik haar morgenochtend van een paar eieren af te helpen.
En zo zit ik me hier nu, met een buik vol paddestoelensoep, brood, cake, banaan en bier, wederom af te vragen hoe het nou toch zo verkeerd kan gaan in de wereld, terwijl er zoveel goede mensen zijn…

Frimousse, Stukjes camino

Ezeltje heeft geen zin

Labastide-Marnhac Cézac Lascabanes Montcuq

De hele dag staat vandaag eigenlijk in het teken van het slepen van het ezeltje. Blijkbaar heeft hij het vannacht erg gezellig gehad met het paard, want hij laat zich niet vangen. Maar als we eindelijk onderweg zijn, wordt het niet beter: steeds weer vindt hij een reden om stil te staan, en als hij loopt, is dat in een tempo waar ik heel ongeduldig van word.

Mijn lunch is een feestje. Gisteravond na het eten was er nog wat macaroni over; mijn gastvrouw vroeg of ik wilde dat ze dat inpakte voor tussen de middag, met een beetje azijn. Als ik het pakketje openmaak, blijkt ze er niet alleen azijn bij te hebben gedaan, maar ook geraspte wortel, een tomaat en een gekookt ei. Voor toe vind ik 2 mandarijnen.

Na een hele, hele lange dag bereiken we eindelijk Montcuq. Hier wilde ik vandaag graag aankomen, omdat Anita me bij een plaatselijke gîte heeft aangeraden voor werk, en dit een mooie kans is om kennis te maken. De hoop op werk wordt echter snel de grond in geboord. Wel mag ik voor vannacht een plek voor mezelf en voor het ezeltje zoeken, hoewel de gîte eigenlijk vor de winter gesloten is, en pas in april weer open gaat.
Ook mag ik gebruik maken van de keuken, en als ik daar iets vind waar ik trek in heb, mag ik het pakken. De voorraad blijkt wat je mag verwachten in een pelgrimshut: vooral veel aangebroken pakken rijst en macaroni. En zo is dit de eerste keer in bijna 2 weken lopen dat ik iets te eten koop: bij een extreem duur supermarktje haal ik saus voor bij de macaroni; en als ik er dan toch ben, neem ik ook maar een wijntje mee.

Tussen Labastide-Marnhac en Montcuq

Frimousse, Stukjes camino

Gekker kan het niet worden

Arcambal Cahors Labastide-Marnhac

Aujourd’hui nous avons attrappés le Chemin du Puy.
Oftewel: vandaag hebben we de Via Podiensis bereikt, de Jacobsweg die van Le-Puy-en-Velay naar Saint-Jean-Pied-de-Port gaat. Eindelijk.

De oversteek van de A20 was eigenlijk een eitje: bij Arcambal steekt de snelweg de rivier de Lot over, en daarmee ook een deel van de vallei. We zijn de wandeling dus begonnen langs de oever van de Lot, en op die manier reed het verkeer zo’n 15 meter boven ons hoofd. Frimousse besefte eigenlijk pas wat hij gedaan had toen we al onder de brug door waren; toen bleef hij zich maar steeds omdraaien om ernaar te kijken, en wilde hij er steeds weer vandoor als er een vrachtwagen langsreed. Maar toen waren we er al langs, en met elke stap die we verder van de brug af kwamen, werd hij rustiger.

Een obstakel waarop ik niet gerekend had, was Cahors. Fantaserend boven mijn kaart, zou ik daar rustig aan komen sukkelen over een vriendelijk landweggetje, net voor Cahors linksaf slaan, op die manier de stad zelf vermijden, en aan de andere kant van de stad de Via Podiensis op stappen. En die route heb ik ook exact gevolgd. Maar de kaart vertelt niet dat het laatste stuk van de GR-36 voor Cahors een steile afdaling is van een kilometer of 2 (lengte, niet hoogte) over een smal paadje, waarvan ongeveer de helft trap is. En ook niet dat je ongeveer halverwege dat pad een uitzicht hebt over de stad, dat een ezeltje dat nog nooit een stad heeft gezien, doet besluiten geen poot meer te verzetten, en alleen nog maar te kijken, kijken en kijken.

Maar goed, uiteindelijk besluit het ezeltje blijkbaar dat het avontuur met mij toch best wel leuk is, en volgt hij me voorzichtig verder de trap af. En zo staan we na een uurtje of 2 in een voorstad van Cahors, die toch wel een stuk drukker is dan ik verwacht had. Maar dat maakt Frimousse niets uit: hij is zojuist via een 2 kilometer lange trap afgedaald in de eerste stad die hij ooit gezien heeft, en niets kan hem nog raken; met opgeheven hoofd loopt hij naast me de stad uit.

Die heldenroes duurt tot we bijna in Labastide-Marnhac zijn. Daar moeten we een klein houten bruggetje over, en Frimousse weigert. Heldendaden zijn geen probleem, maar een houten bruggetje is… nou ja… een brug te ver.
En dus moeten we aan het einde van de wandeling nog eens een kilometer of 5 om. Langs een hele drukke weg.

Als we uiteindelijk, allebei doodop, aan de rand van Labastide-Marnhac zijn, zie ik een paard in een tuin staan. Omdat ik heb gehoord dat het vannacht gaat vriezen, kan ik het me niet veroorloven enige kans op hulp te laten lopen, en dus ga ik vragen of er bij het paard in de tuin misschien een plekje is voor mijn ezel, en voor mij misschien in een garage of schuur.
Het plekje in de tuin is geen probleem, maar voor mij is geen plek: men heeft net vanavond een huis vol visite. Terwijl de dochter in de tuin buren gaat bellen, word ik door moeder mee naar binnen genomen voor thee. Als de dochter ook binnenkomt, heeft ze iets gevonden: ze heeft voor me gereserveerd in een chambre d’hôte in de buurt; de kamer krijg ik kado van haar, voor het eten moet ik zelf betalen.
Als ze me, na 1.000 maal dank, heeft afgezet bij de chambre d’hôte, doen de eigenaren me een voorstel: ik betaal €7,50 en ze koken een maaltijd voor me, zoals het hoort, of ik eet een eenvoudige maaltijd met hen, en ik betaal niets. Ik eet mee.

Frimousse, Stukjes camino

En weer kwamen ze goed terecht

Saint-Martin-de-Vers Cras Vers Béars Arcambal

De mensen waar ik vannacht gelogeerd heb, zijn vanuit respectievelijk Parijs en België hierheen verhuisd, omdat ze enorm van deze streek houden; ze kennen er de weg dan dus ook op hun duimpje.
Op hun advies loop ik een klein stukje noordelijk, om vervolgens vrijwel de hele dag door de vallei van de rivier de Vers te kunnen lopen. Na een paar kilometer hoeven we maar een paar honderd meter over de départmental, en dan kunnen we over op de GR-46. Uiteraard krijgen we op die paar honderd meter 2 vrachtauto’s voor onze kiezen, waarvan 1 het er zelfs in zijn hoofd haalt om te toeteren, maar Frimousse houdt zich goed, en we komen er ongeschonden doorheen.

Het eerste stuk GR blijkt een steil paadje van zo’n 40-50 centimeter breed, met aan de ene kan wat bomen en dan 10-20-30 meter omlaag, en aan de andere kant wat bomen en dan 30-20-10 meter omhoog. Halverwege dat paadje (maar dat weten we dan nog niet) is vanmorgen een boom omgevallen, over het pad — vanmorgen, want het heeft vannacht geregend, en de aarde rond de wortels is droog. Ik kan eroverheen, maar voor een ezel is dit niet te doen. Tegen beter weten in probeer ik hem toch over te halen, maar eigenlijk snappen we allebei dat dit nooit gaat lukken. En dus zet ik mijn stok tegen een boom, zet mijn rugzak ernaast, leg mijn hoed op mijn rugzak, en begin een paadje te maken rond de wortels van de boom, het touw van de ezel in 1 hand, en constant tegen hem babbelend om te voorkomen dat hij onrustig wordt. Het wordt uiteindelijk een paadje van een centimeter of 20 breed, vlak langs het gat van de boomwortels, maar het ezeltje begrijpt wat er van hem verwacht wordt, en volgt me heel voorzichtig stapje voor stapje. Uiteindelijk lopen we 30-45 minuten vertraging op, maar we komen er samen langs; weer onderweg vertel ik het ezeltje wel 20 keer hoe trots ik op hem ben.
En als beloning gaat het paadje na een paar honderd meter over in een pad van zo’n 2 meter breed waar geen auto’s rijden, en hoeven we tot ruim in de middag niets anders te doen dan gedachteloos de directions van de GR-46 te volgen.

Doordat we de afgelopen dagen zo weinig auto’s tegengekomen zijn, komt Frimousse inmiddels weer helemaal tot rust (en ik dus ook) en een paar keer probeert hij zelfs onder het lopen met me te spelen. Ik besluit niet langer rond te informeren naar een nieuw tehuis voor hem; we zitten aan elkaar vast.

Na een lange wandeling, en bijna bij het doel van vandaag, moeten we de rivier de Lot over. De brug is smal — 1 rijbaan, en aan beide kanten een trottoirtje — en lang — ik schat een meter of 50. Ik houd mijn hart vast voor de reactie van Frimousse, maar besluit net te doen of het gewoon een weg is waar we overheen moeten. Frimousse trapt er uiteraard niet in — ezels zijn echt niet dom, en deze al helemaal niet — maar volgt me wel; hij loopt langzaam, en kijkt naar 2 kanten tegelijk (wat natuurlijk niet heel moeilijk is als je ogen aan de zijkanten van je kop zitten), maar twijfelt niet, en loopt mee de brug over. Hij is echt enorm gegroeid in de afgelopen 2 weken.

Een paar kilometer verder komen we aan in Arcambal, het doel van vandaag. Veel boeren zijn hier niet, en de meeste mensen zullen geen ezel in de tuin willen, dus ik meld me bij de mairie. De dame achter de receptie vertelt me dat er hier geen voorzieningen zijn voor pelgrims, en dat er ook geen feestzaal of iets dergelijks is waar ik zou kunnen slapen. Waarop de man die voor mij aan de beurt was, direct zegt dat ik dan wel in zijn garage kan slapen. Hij schrikt nog even als ik zeg dat ik wel een ezel bij me heb, maar ach, die kan eigenlijk best in de tuin. Waarop de receptioniste aanbiedt wat hooi te komen brengen; ze heeft paarden, dus genoeg hooi.

En terwijl ik dit schrijf, wordt mijn diner in orde gemaakt. Dus…

Morgen kruisen we de A20. Ik ben heel benieuwd hoe dat gaat.